Recencies

 
Geert van Istendael
Steenbergen, 20.II.’22.

Geachte genodigden,

Het is mij een eer, maar ook een onvermengd genoegen, dit boek hier te mogen inleiden. We hebben hier een boek zoals er meer geschreven zouden moeten worden. Een Vlaamse familiesaga heeft Jan Aertsen het zelf genoemd. Je zou met recht en reden kunnen zeggen, het is veel meer dan een familieverhaal. Met evenveel recht en reden kun je zeggen dat het veeleer Kempens is dan Vlaams.

        Kempens.

        We lezen een kroniek die zich grotendeels afspeelt bij boeren in Loenhout. De overeenkomsten met een kroniek gesitueerd in de West-Vlaamse polder of in een Haspengouwse vierkantshoeve zouden even groot zijn als de verschillen. Het Vlaamse gewest is nu eenmaal veelvormig.

        Meer dan een familieverhaal.

        Mensen raken altijd verwikkeld in verbanden en gebeurtenissen die zich veel wijder uitstrekken dan hun onmiddellijke omgeving, hun dorp, hun familie, hun gezin .

 

Vaak hebben wereldvermaarde schrijvers de geschiedenis van hun tijd, van hun eeuw verteld vanuit een hun vertrouwde kern. Hun voorouders, hun zussen en broers, hun straat, hun school. Dat doet ook Jan Aertsen. Twee wereldoorlogen, de modernisering van de landbouw, de ontkerkelijking, ik noem maar dat.

        Bijvoorbeeld. Het paard dat de boerenkar trekt met daarop de lijkkist van een oude boerin en erachter de weduwnaar, en dat tussen de geallieerde en de Duitse vuurlinie doorstrompelt, bedreigd door een laag overscherend gevechtsvliegtuig. 1944. Ik moet zeggen ik heb nog maar weinig oorlogsepisodes gelezen die zo prangend de absurditeit van oorlog in je gezicht smijten.

        Bijvoorbeeld. De boer, vader van de auteur, die een domein koopt van een geruïneerd edelman en die van zeventig versnipperde perceeltjes met grachten, heggen, bunkers en andere rotzooi, een veld maakt zo plat als een biljarttafel. Dat was een citaat.

        Bijvoorbeeld. De bange devotie die in elkaar stuikt in de jaren zestig van vorige eeuw, krijgt als laconieke commentaar: Boeren zijn koppig, niet bang.

 

Een der grote verdiensten van de auteur is dat hij het verleden noch verkettert noch ophemelt. Hij laat het verleden zien, horen en vooral ruiken. Zoals het was. Met een mij verblijdende zin voor het tastbare detail. En dan merk je al snel dat de stille, vrome Kempen allesbehalve zo vroom en zo stil waren als men weleens denkt. Of dacht. Dat het verleden naast onze deur noch hel was noch paradijs. Soms beide. Meestal hard werken. Rekenen. Stommiteiten doen. Verstandige dingen doen. Kinderen grootbrengen. Elkaar graag zien. Dat in dat verleden vitale mensen rondliepen met wensen en begeerten en dapperheid en fatsoen en scherp verstand en solidariteit en egoïsme. Zoals vandaag.

        Alleen daarom al vind ik dat dit vooral jonge mensen dit magnifieke boek zouden moeten lezen. Om te weten. Om te begrijpen hoe het ooit was. Om de onscherpe contouren van vroeger scherp te stellen. Een helder beeld van het verleden helpt om een helder beeld van het heden op het netvlies te krijgen. Niet alles was slechter. Waarom precies was niet alles slechter? Niet alles was beter. Hoe kwam dat zo. Er is vooruitgang geweest en achteruitgang, vaak genoeg noodzakelijk met elkaar verbonden. Bijvoorbeeld, de beknellende banden van autoritair kerkelijk gezag doorbreken, voor de emancipatie van het individu opkomen, groeiende eenzaamheid.

        Wie na het lezen van dit boek nog de idylle van een groen en ongerept platteland koestert, moet het gewoon oplettend herlezen. Wie na het lezen van dit boek nog vervuld is van vooruitgangsgeloof, moet het gewoon oplettend herlezen.

Heb dank, Jan Aertsen, voor dit prachtige boek vol scherpe waarnemingen, vol mededogen. Maar ook: zonder sentiment en mooipraterij. Je bent per slot van rekening een Kempenaar, nietwaar?

 
Arlette De Pauw

Stikjaloers moet iedereen zijn na het lezen van deze familiegeschiedenis.

Gekleurd met persoonlijke herinneringen en gesprokkelde getuigenissen van wie 'erbij' was.

Aangevuld met opzoekwerk dat nergens de vaart van het verhaal in de weg staat.

Fantastisch zijn de fantasierijke vertellingen van hoe het zou kunnen geweest zijn. De kwinkslag, de luim, het perspectief van het kind of de buitenstaander: heerlijk relativerend.

Het taboe van de dood al in de titel doorbroken. Nooit gedacht dit beladen begrip zo grappig kan zijn. (sorry Piet Paaltjens)

De levendig vertelde anekdotes zijn soms hilarisch: Geert Aertsen die samen met de Loenhoutse boerkes door 'hoge pis' zijn kans bijna verkijkt om de Kempense stem over de patattenoogst te laten horen bij de Brusselse hoge pieten. Kees die niet met zich laat sollen en als een Tijl Uilenspiegel spelletjes speelt met de Duitse bezetter, ...

Nergens verzanden de verhalen in folklore. 

Sterke familietypering door ferme karakters die de Kempense boerenstiel kenmerken; schalkse plantrekkerij, koppigheid, gezond boerenverstand. Om je pet voor af te nemen.

Aandoenlijk, ontroerend en teder bij momenten, soms is doodgaan toch niet zo gemakkelijk.

Spannend en ontluisterend: de moord op opa Jaan, een voetnoot in de geschiedenis maar onwaarschijnlijk ingrijpend in het leven van wie er getuige van was.

Eerlijk ook, je eigen ziel blootleggen, je moet er lef voor hebben: de ups zowel als de downs van je leven prijsgeven met zelfs daar een humoristische schwung.

Een vlotte korte-zinnen-stijl doorspekt met Loenhoutse woorden en uitdrukkingen. Nooit wordt het volks maar past naadloos in de traditie van Walschap: het moet vooruitgaan zonder te veel tierlantijntjes. Slim gebruik van de tegenwoordige tijd waardoor het verhaal spannender, actiever, meer betrokken maakt. 

Hoge hoed af voor Grote Jan! Sterk aanbevolen lectuur voor elke Dos Miller.

 
Interview verschenen in De Maand van jan 2022

Jan, je schreef een boek met als ondertitel ‘Een Vlaamse familiesaga in de lange 20ste eeuw’. Vertel je ons kort waar je boek over gaat?

Zoals die titel aangeeft, gaat het over drie, nee vier of vijf, generaties Vlaamse boeren en boerenzonen. De saga begint eind 19de eeuw en loopt tot nu, begin 21ste eeuw. Dit allesineen snelveranderendewereld.Diewereld,datzijndeKempen.Dieboeren leven voor hun boerderij, ze durven, riskeren,lopen met hun kop tegen de muur, hebben tegenslagen. Dankzij hun koppigheid en de bewonderenswaardige veerkracht van hun straffe vrouwen knokken ze zich overal doorheen. Daar in die Kempen gaat het leven zijn gang, er is oorlog en vrede, en dan wat later weer oorlog en miserie. De Kerk is streng en de kindersterfte groot.

 

Tot dan de Expo van ‘58 komt en heel die wereld snel verandert. Dat noemen ze de vooruitgang: de Beatles klinken tot op de boerderij, de kerken lopen leeg en veel boeren geven het op. Heel die wereld wordt verteld in twintig-dertig scènes die allemaal mooi samenhangen en die naar een dramatische climax leiden.

 

Is het puur het verhaal van jouw familie of toch eerder een historische roman?

Ik kan moeilijk ontkennen dat ik de hoofdfiguren heel goed gekend heb, het zijn immers mijn voorouders. Maar het is veel meer dan een rits anekdotes uit mijn stamboom. Ik noem het met trots een historische roman: alle kleine verhalen vormen samenéénlangverhaal,alleskloptinzijn tijd,totindedetails.Tenminstealleswat we kunnen weten uit mondelinge overlevering, nagelaten documenten, geschiedenisboeken en archieven. De rest is een schepping van de auteur, dan heb ik het over de liefde, de dromen en gevoelens van die mensen, hun gesprekken en hun innerlijke conflicten. Die heb ik geschreven vanuit mijn inleving in hun hoofden en harten: zo zou het gegaan kunnen zijn. Noem het dus een historische roman, verkleed als familiesaga, of omgekeerd.

Als het dus voor een stuk een familiesaga is, wat is dan jouw rol in het verhaal?

Ik geef mezelf ook bloot, want ook ik ben een zoon. Meer dan een eeuw lang beschrijf ik de relatie van de zonen met hun vader. Die zonen willen het beter doen dan hun vader, ze zien de dingen groter en gedurfder, ze zien het breder en weidser dan Loenhout, van ruilverkavelaars worden ze ecologisten. Het is een roman, maar het heeft de ambitie een eerlijk boek te zijn. Ik ga mijn eigen crisissen en kwellingen niet uit de weg, want ik ben een schakel in die familieketting.

 

De hoofdtitel van je boek luidt ‘t Is ook maar doodgaan. Echt vrolijk klinkt dat niet. Vanwaar die zwarte ondertoon?

Maar die titel klopt wel: er gaan er in de loop van die lange eeuw heel wat dood daar in Loenhout: kleine kinderen, oorlogsslachtoffers, een laffelijk vermoorde boer, nog meer kinderen en ook vrienden die plots sterven. Als het boek begint, zit je meteen op een begrafenis. En het boek eindigt met enkele voor mij heel aangrijpende sterfgevallen.

 

Maar tegelijk klinkt de relativering door in de titel: het is uiteindelijk allemaal maar doodgaan. De dood die bij het leven hoort dus. De hoofdfiguur, mijn vader, kon zijn eigen dood relativeren en rustig op z’n oude dag om euthanasie vragen. De boer die bewust sterft, indrukwekkend was dat. De zachtheid van de dood drijft boven als iemand rustig afscheid kan nemen tussen zijn geliefden. Maar bij een brutale moord, een fataal ongeluk of een plotse hartstilstand komen alle leed en rouw na de dood en dat is bijzonder hard. Voor sommigen is het ondraaglijk en een levenslange pijn.

 

Maar het boek is veel meer dan doodgaan. De rode draad is de vooruitgang in die lange twintigste eeuw: vooruitgang in de landbouw, een niet te stoppen ontvoogding tegenover de versmachtende kerk, een afgesloten dorp dat zijn vensters openzet op de wijde wereld. Er werd veel doodgegaan, maar ze konden daar ook feesten, zich overgeven aan lekker eten en drinken en vrijen, genieten van de kinderen, kletsen met de buren, opgaan in de natuur, grappen en grollen uithalen.

 

De vooruitgang is inderdaad een begrip dat vaak terugkeert in het boek. Maar willen boeren wel vooruitgang? Boeren verzetten zich toch meestal tegen snelle veranderingen? En zeker in de ‘achterlijke’ Kempen.

Hola-pola. Die Kemp en in vorige eeuw waren wel geïsoleerd, maar niet achterlijk. Het waren slimme boeren en straffe boerinnen die daar de touwtjes in handen hadden. Natuurlijk braken in Loenhout in 1960 de boeren het gemeentehuis af uit verzet tegen de ruilverkaveling. Dat deden ze niet uit lompigheid, maar omdat ze maar half geïnformeerd waren. Ze richtten zich op de verkeerde vijand omdat ze allemaal krampachtig vasthielden aan de heilige familiegronden. De echte vijand hebben ze later pas leren kennen, toen het te laat was. Toen pas zagen ze wat voor ecologische ramp die ruilverkaveling had aangericht: de kaalslag van hagen, heggen en bomen, sloten werden gedempt of rechtgetrokken. En dat allemaal voor een ongebreidelde schaalvergroting die hun uiteindelijk hun zelfstandigheid kostte. Kijk maar naar de reuzeserres en de megastallen; die worden extern gefinancierd en gerund door grote bedrijven en de ooit zo fiere boer is gewoon een onderaannemer geworden die niet veel meer in de pap te brokken heeft.

De Kempen waren geïsoleerd, maar veel boeren, zoals mijn vader, wilden bijleren en hun horizon verruimen. Ze trokken ‘s zondags naar Noord-Frankrijk en Holland en de Duitse Eifel om te zien hoe boeren elders slim omgingen met melkmachines en silo’s en pikbinders. Ook al moesten ze daarvoor de zondagsmis overslaan.

 

Is je boek dan een pamflet voor de ‘kleine bioboer’, het winkeltje op de boerderij, de geitenwollensokkenboerin?

Nul pamflet heb ik willen schrijven. Dat werkt ook niet in een roman. Een roman moet het van zijn verhaal hebben en van zijn vertelkracht, niet van een of ander modieus idee dat erin verdedigd wordt. Wel zul je – maar dan heel bescheiden tussen de regels - een pleidooi voor duurzaamheid en schoonheid lezen. Ik laat het aan de lezer om dat te vinden, verscholen in de verhalen. De lezer is slim genoeg.

 

Ik schilder die generaties boeren af als de pioniers die ze waren. Hoe ze wilden uitbreiden, bijbouwen, investeren, moderniseren. Ik doe dat met een bewondering voor hun daadkracht en durf, ik veroordeel ze dus niet vanuit onze huidige kijk op landbouw. Wij weten nu, anno 2022, dat heel die ruilverkaveling een modernistische investering zonder visie was. Toen werden er veel mooie kansen gemist. Een dorp verder, in Zundert, ligt bijvoorbeeld al een eeuw het Europees centrum van boomkwekerijen, wat mooie kansen bood op diversificatie. Men miste kansen voor een duurzame grondbank, voor natuurbehoud en de zo noodzakelijke ecologie. Iedereen praatte dezelfde slogans na: meer, groter, bulkproductie, loodzware investeringen en leningen. Het gevolg kennen we: boeren die met hun kop tegen de muur liepen. Het was de kroniek van de ondraaglijke afhankelijkheid, van de aangekondigde faillissementen en de zelfmoorden.

Terug naar de fond van het boek. Geertjes, Kees en Fons zijn respectievelijk je overgrootvader, je grootvader en je vader. Wat drijft hen eigenlijk?

Beroepsfierheid, zelfstandig zijn kost verdienen. Vooruitkijken en zien dat de wereld gaat veranderen, daarop dan anticiperen voor hun kinderen. Rondkijken wat er te koop is in de wereld. We moeten af van het cliché dat zich doodwerken hun tweede natuur was. Ze wilden wel hard werken, want melkveeboeren zaten in de maalstroom van twee keer melken, elke dag, ook als ‘den elektriek’ uitviel. Ze moesten voor hooi en stro zorgen voor de winter. Ze moesten de koeien in ’t oog houden als die ‘s nachts zouden kalven. Het waren slimme boeren en straffe boerinnen. Veel rustmomenten hadden ze niet, maar ze probeerden hun welstand te verhogen en hun leven te veraangenamen door op de juiste manier te mechaniseren, zonder al te zotte kosten te doen. Het waren boeren die genoten van hun familie, hun buren, hun dorp. Ze waren eigenzinnig, maar tegelijk ook sociaal en rechtvaardig.

Wat leerde je zelf bij het schrijven van dit boek?

Veel, heel veel heb ik geleerd door maandenlang met mensen te praten en in archieven te zoeken. Ik heb geleerd dat er heel wat echte pioniers waren bij die boeren in de Kempen, veel meer dan gedacht. Dat die boeren in de oorlog heel goed

de vijand konden inschatten: zij zaten ver van de stad en konden hun ding blijven doen; ze woekerden niet, maar het waren wel slimme plantrekkers en dat hielp in hun eensgezinde en stille verzet tegen de bezetter. Verder heb ik geleerd dat de Kerk door haar wereldvreemdheid haar klanten verloor en zo zelf haar eigen ondergang bewerkstelligde. Ik heb, dankzij p rofessor Vanhoutte uit Hoogstraten, geleerd hoe de boeren, toen in 1848 de aardappeloogst helemaal mislukte, ervoor zorgden dat in de Kempen geen hongerdoden vielen, terwijl in Oost- en West-Vlaanderen 50.000 slachtoffers te betreuren waren.

Ik heb geleerd dat de veerkracht van boerinnen met grote gezinnen en dus ook grote kindersterfte fenomenaal moet zijn geweest. Dat de liefde voor de boerenstiel als een oerkracht zin in het leven geeft.

 

Dat de Kempen misschien wel stil, maar absoluut niet achterlijk zijn, wist ik al, maar na zoveel interviews en verhalen en getuigenissen ben ik daar nu wel helemaal van doordrongen. Het is niet toevallig is dat er nu zo’n bloeiende land- en tuinbouw is, met een fantastische veiling in Hoogstraten, met boeren die experimenteren, met boeren die breed kijken en slim handelen. Ik woon zelf al decennia in Vlaams - Brabant, maar na het schrijven van mijn boek roep ik van harte: ‘Leve de Kempen!’ Zo’n Kempen-gevoel mag best wat leutig zijn, zoals bij Tijs Vanneste, zolang het maar echt is, authentiek, sociaal en plezant.

 

Toch nog even terug naar dat zogezegde isolement van de Noorderkempen. Wat was de aansteker van het vooruitgangsdenken?

Het vooruitgangsdenken werd altijd door individuen belichaamd. Je hebt altijd mensen nodig die durven pionieren, jonge boeren die uit het isolement durven breken. Ze hebben dat niet uit boeken, maar uit de dagelijkse praktijk. Ze willen materieel vooruit en ze willen tegelijk arbeidsbesparend werken.

Zo een pionierende pragmaticus was mijn vader, Fons Aertsen. Fons ging dikwijls ‘s zondags, na het melken, ‘spioneren’ bij ‘moderne’ boeren in Wallonië, Noord-Frankrijk of Duitsland. Het doel mocht maar op een paar uur van Loenhout liggen, want ‘s avonds was hij weer terug om koeien te melken. Dat spioneren bestond gewoon uit diepgaande vragen stellen en die bezochte boeren waarderen in hun fierheid. En ze trakteren op een goeie sigaar.

 

Fons durfde vanuit het eigen kleine Kempense dorp naar de wereld kijken. Hij financierde studiebeurzen voor missionarissen, werd later razend kwaad als hij, ter plekke in Afrika, vaststelde dat sommige missionarissen zich meer bezighielden met zieltjes winnen dan met armoebestrijding. Nadat Fons gestopt was met boeren, kocht hij grond in Brazilië, want daar lagen onontgonnen mogelijkheden. Hij verloor daar ook bijna alles, maar hij incasseerde zijn verlies zonder morren. Daarna reisde hij de wereld rond om naar landbouw te kijken in Canada, China, Brazilië en Afrika. Ook zijn zoons gingen het een tijdlang in Latijns-Amerika en Afrika zoeken, omdat ze idealen hadden, omdat ze durfden. Globetrotters met als devies: ‘de wereld is ons dorp’. En dat zien we nu bij de verse generaties weer gebeuren: tuinders, bloemisten, boomkwekers die innoveren en niet bang zijn.

Een historische roman die tegelijk een familiesaga is, veel straffe verhalen met één rode draad. Het klinkt allemaal veelbelovend. Zijn er nog andere redenen waarom we je boek zouden moeten kopen en lezen?

 

Het is niet aan mij om te veel aan eigen lof te doen natuurlijk. Maar heel wat mensen hebben de verschillende fases van de tekst gelezen en ze vinden allemaal dat het een straf boek is, een boek dat leest als de spreekwoordelijke trein. Je wordt in de spannendeverhalengezogen. Envooral:hetisherkenbaarvooriedervanons,ook als je zelf weinig met de boerenstiel hebt. Wie heeft er geen boer als voorvader? Wie zou niet het landelijke en snel veranderende Vlaanderen van de 20ste eeuw herkennen? De thema’s van het boek zijn de thema’s uit ons eigen bestaan: gulzig leven, stuntelig liefhebben, af en toe ambras maken, genieten van leute en familiegeluk, en finaal hopelijk rustig doodgaan. Ik zou zeggen: koop het boek voor jezelf, maar doe het ook cadeau aan geliefden. Ze zullen je dankbaar zijn. Want ook zij zullen hun lief en leed en onze gemeenschappelijke wortels herkennen.